Willem van Riemsdijk

Crescentiis, La chasse 1373

Afbeelding bij onderwerp: La chasse et la pêche [De jacht en de visvangst] met een vlechtheg, uit: Pierre de Crescens [Petrus de Crescentiis] Les profits champêtres, 1373. Franse vertaling van Opus ruralium commodorum.

De informatie in de vorige blog (16 februari 2016) over de vlechtheg is gebaseerd op de beschrijving in het boek Ruralia Commoda, Succesvolle landbouw van Petrus de Crescentiis (*1230/1233 †1320/1321 in Bologna). Dit manuscript werd gepubliceerd rond 1305 na Christus en bevat gedetailleerde informatie over verschillende typen vlechtheggen die toen aangelegd werden om de tuin en boerderij/hofstad te beschermen tegen dieren en mensen.

Het standaardwerk over klassieke erfafscheidingen van Georg Müller, Europas Feldeinfriedungen (2013) was mij toen nog nog niet bekend. De geschiedenis van deze erfafscheidingen, zoals beschreven in zijn indrukwekkende boeken, is gebaseerd op eigen inventarisatie, archeologische kennis, afbeeldingen op schilderijen, miniaturen etc. en op schriftelijke overlevering. Müller stelt dat de erfafscheidingen veelal gelijk zijn ontstaan met het ontstaan van eenvoudige landbouw. Erfafscheidingen zijn dus nog veel ouder dan het hierna beschreven type heg. Verder onderzoek van mij naar enkele klassieke auteurs op het gebied van de landbouw heeft een herontdekking opgeleverd van, voor zover nu bekend, de oudste gedetailleerde beschrijving van de aanleg van een levende heg als erfafscheiding. Uitvoerige discussie met Georg Müller over dit onderwerp heeft bijgedragen aan het tot stand komen van deze tekst.

COLUMELLA

De meest uitgebreide beschrijving van de aanleg van deze erfafscheiding is te vinden in het boek De Re Rustica, Over de landbouw van Columella. Columella leefde rond de jaartelling en overleed ca. 70 na Christus. Hij is geboren in Spanje en leefde voornamelijk in Italië waar hij verschillende boerderijen bezat.

Columella’s boek is gebaseerd op zijn kennis van de literatuur op het gebied van de landbouw die toen beschikbaar was en op zijn eigen praktijkervaring. Columella verwijst bij de beschrijving van dit type heg naar Democritus van Abdera, een Griekse filosoof, die leefde rond 400 voor Christus, dus 400 jaar voor Columella. Helaas is de oorspronkelijke beschrijving van Democritus verloren gegaan. Deze methode van erfafscheiding is dus meer dan 2400 jaar oud. Dezelfde methode wordt later ook bij andere auteurs kort beschreven. Met name zijn de beschrijvingen door de Romeinse schrijver Palladius die leefde tussen ca. 350 en 450 na Christus, dus veel later dan Columella, en door Crescentiis van belang voor de studie naar dit type heg zoals ik later zal laten zien.

Eerst geef ik mijn vertaling van de tekst over deze heg zoals beschreven door Columella die gebaseerd is op de Latijnse tekst, en op een Engelse en een Duitse vertaling van zijn boek.

Columella schrijft: ( boek XI, hfst III, paragraaf 2-8)

Democritus stelt in zijn boek Georgicon dat het niet verstandig is om een muur om een tuin te bouwen, niet alleen omdat een bakstenen muur gewoonlijk een beperkte levensduur heeft door regen en storm, maar ook omdat een stenen muur onnodig kostbaar is voor het doel. Het zou een vermogen kosten om een groot oppervlak op die manier te beschermen. Daarom zal ik [Columella] nu een methode beschrijven om zonder veel moeite een tuin te beschermen tegen het binnendringen van mensen en vee. De vroegste schrijvers hebben voorkeur voor een levende heg als omheining boven een ommuring, niet alleen omdat het goedkoper is, maar ook omdat zo’n heg veel langer mee gaat. De volgende methode voor het maken van een heg van doornstruiken is gebaseerd op deze overlevering: 

Het grondstuk, dat men wil omheinen, moet spoedig nadat de grond door regen zacht is geworden, dit is na de herfst equinox  [equinox betekent dat de dag- en nacht-lengte aan elkaar gelijk zijn, dit is in de herfst op 22,23 of 24 September], omgeven worden door twee greppels die drie voet [90 cm] uit elkaar liggen. Een diepte van 2 voet [60 centimeter] is voldoende, de greppels blijven leeg in de winter terwijl de zaden al zijn geoogst  als voorbereiding voor de aanleg van de heg. De planten moeten zo lang mogelijke doorns hebben, vooral Bramen, Christusdoorn [Paliurus spina-christi], en Hondsdoorn [Rosa Canina, Kunosbatos in het Grieks] zijn geschikt. Men kiest zo rijp mogelijke zaden en mengt die met meel van grondig gemalen Linzenwikke. Nadat dit mengsel met water is bevochtigd smeert men dit mengsel op oud scheepstouw of een ander soort touw; daarna laat men het drogen en bergt het op op zolder.

Akrotiri zwaluwen

Zwaluwen in rotslandschap, fresco uit de bronstijd, Akrotiri, een dorp op het Griekse eiland Santorini, bewaard gebleven na vulkaanuitbarsting ca. 1630 voor Chr. Collectie Nationaal Archeologisch Museum , Athene. CC wikimedia commons.

Nadat het midden van de winter voorbij is, na ongeveer 40 dagen, tegen de tijd dat de zwaluwen terugkeren, als de Westenwind  komt na 13 Februari, schept men het water uit de greppels, en vult ze met de losse grond, die in de herfst is uitgegraven, tot de halve diepte van de greppel. Daarna haalt men de touwen van zolder, rolt ze uit, en legt ze in de lengterichting in beide greppels en bedekt ze met een laagje grond, niet te veel zodat de zaden die aan en in het touw zitten kunnen ontkiemen. Na ongeveer dertig dagen komen de planten tevoorschijn, en als ze beginnen te groeien leidt men ze in de richting van de ruimte tussen de greppels. In het midden plaats men een rij stokken waar de planten eerst steun kunnen vinden totdat ze sterk genoeg zijn. Het is duidelijk dat zo’n doornhaag niet kan worden vernietigd, tenzij men hem helemaal uitgraaft; er is ook geen twijfel dat, zelfs als de heg is beschadigd door brand, hij alleen maar beter weer opgroeit. Dit systeem had de voorkeur van de klassieke schrijvers voor de omheining van een tuin.

De hier beschreven aanleg van een beschermende omheining heeft een aantal boeiende aspecten. Deze haag kan gezien worden als een voorloper van de omheining die beschreven wordt bij Crescentiis. Het maken van greppels, die later weer half met losse grond worden gevuld, maakt dat de planten snel en goed kunnen wortelen. Linzenwikke is een stikstofbindende plant en een van de oudste cultuurgewassen. Het gebruik van het meel van de zaden van de Linzenwikke heeft waarschijnlijk een tweeledige functie, enerzijds is het een methode om de zaden van de doornstruiken aan het touw te laten kleven nadat het mengsel vochtig is gemaakt, anderzijds kan het als voeding dienen voor de ontkiemende planten. Het touw kan er voor zorgen dat de zaden goed over de lengte van de greppel worden verdeeld en geeft steun aan de wortels van de kiemende planten. De wortels zullen zich ook in elkaar vervlechten onder de grond. Op een aantal manieren wordt er voor gezorgd dat er snel een zeer stevige ondoordringbare heg ontstaat van relatief beperkte afmeting: doordat er twee evenwijdige greppels worden gemaakt; door het gebruik van het met zaden geïmpregneerde touw; doordat de planten naar de ruimte tussen de greppels worden geleid; door het gebruik van stokken om de planten in het begin steun te geven. De verschillende planten zullen zich, komende vanuit beide greppels, met elkaar gaan vervlechten. Zo’n vlechtheg zal ook een fraai gezicht zijn als hij bloeit en veel vogels en hommels, bijen en vlinders aantrekken.

De vertalers zijn het er niet over eens wat er bedoeld wordt met de plant die in de tekst wordt aangeduid met het Griekse woord kυνόσβατον [4e naamval], of kunosbatos [1e naamval]. De essentie van de tekst is dat het gaat om planten met veel stekelige doornen met takken die zich eenvoudig naar het midden laten buigen, en die aanvankelijk ondersteuning nodig hebben maar daarna uit zich zelf een hecht vlechtwerk vormen. De planten die genoemd worden zijn in het latijn: rubus, paliurus en kunosbatos naar het Griekse woord. Rubus wordt algemeen vertaald met Braam, Paliurus is de Christusdoorn terwijl er verschillende vertalingen zijn voor het woord kunosbatos.

Met het Griekse woord batos of het Latijnse rubus worden doornstruiken in het algemeen aangeduid, vaak vertaald als Braam. Het Griekse woord kunos is de tweede naamval van kuon wat hond betekent [canis in het Latijn]. Kunosbaton kunnen we dus letterlijk vertalen met Hondsdoorn(struik). De Duitse vertaling schrijft dan ook Hundsdorn. Deze term wordt gebruikt voor de Meidoorn en voor verschillende soorten wilde rozen. De meidoorn past niet goed in het type heg dat hier wordt beschreven omdat die als jonge plant geen ondersteuning nodig heeft.

De Engelse vertaling van Columella die ik heb geraadpleegd geeft in de vertaling dog’s thorn (hondsdoorn), wat volgens de auteur de Rosa sempervirens is. Deze klimroos komt vooral in het mediterrane gebied voor en heeft flinke doornen en lijkt dus geschikt voor dit type heg.

PALLADIUS

Palladius beschrijft in zijn boek Opus agriculturae of De Re Rustica [boek 1 hfst. 34, ca. 400 na Christus] in het kort ook de aanleg van dit type heg. Hij heeft het over de Rubus canina, dus ook de Hondsdoorn. Hij schrijft ook:

Op de dertigste dag komen de Hondsdoorn planten boven de grond; omdat ze nog teer zijn, moeten ze ondersteund worden met stokken, ze zullen zich dan over de vrije lege plekken met elkaar vervlechten.

CRESCENTIIS

Crescentiis schrijft in 1300 na Christus in zijn boek Ruralia commoda [in boek I hfst. 6, paragraaf 5] over de doornstruiken die je kunt kiezen voor een heg. In het Latijn heeft hij het over de prune sylvestres = wilde pruim [of Sleedoorn], rosa sylvestri = letterlijk bosroos maar hiermee wordt bedoeld de wilde roos, vel domesticarus albarum = of de tamme witte [roos]. Hier wordt dus verwezen naar wilde rozen in het algemeen en naar de gekweekte witte roos. Dit is de Rosa alba (Witte roos).

Rosa alba

Rosa alba

Dit is een roos die al door de Grieken en Romeinen werd gekweekt. Het is waarschijnlijk een kruising tussen de Rosa canina var. froebelli en de Rosa damascena. Crescentiis raadt het gebruik van bramen af omdat die de neiging hebben andere jonge planten te overwoekeren.  In boek V, hfst. 38 paragraaf 1, schrijft hij over de rozen. Zowel de tamme als wilde witte roos zijn volgens hem heel geschikt voor een sterke erfafscheiding omdat ze veel sterke doornen hebben, die zo zijn gebogen dat ze iedereen met geweld tegenhouden die er doorheen probeert te komen. De rode rozen hebben zwakke takken en doornen en zijn daarom niet geschikt als erfafscheiding. Verder schrijft hij in boek VIII, hfst. 2, paragraaf 1, dat een middelgrote pleziertuin afgegrensd kan worden door bijvoorbeeld een rozenhaag.

In Spanje komen in de buurt van Sevilla ook nu nog enkele erfafscheidingen voor met de Rosa alba.

KRUIDENBOEKEN 1513-1698

Het is interessant om te zien wat verschillende auteurs van Kruidenboeken in de loop der tijd hebben verstaan onder de term κυνοσβατον of Rosa canina of Hondsroos.

von Cuba, 1514

Roos uit: Johannes von Cuba, Den groten herbarius met al sijn figueren, die Ortus sanitatis ghenaemt is, Nicolaes Grapheus Antwerpen, 1514.

 

Johannes von Cuba beschrijft in Den groten herbarius met al sijn figueren, die Ortus sanitatis ghenaemt is, de Roosen als Rosa in het Latijn en Rodon in het Grieks. Hier worden dus verder geen soorten onderscheiden. De beschrijving is gericht op de de geneeskrachtige werking en de toepassing van de roos in de geneeskunst.

Fuchs 1543

Roos uit: Leonhart Fuchs, New Kreüterbuch, Michael Isengrin, Basel, 1543.

Fuchs onderscheidt in zijn Kreüterbuch van 1543 tamme en wilde rozen in het algemeen. De wilde rozen duidt hij aan met Canina Rosa, Hondsroos. Rosa canina staat hier dus niet voor een botanische soort maar voor wilde rozen in het algemeen. Het Griekse woord voor roos is Rhodon en hij noemt de wilde rozen in het Grieks dan ook Cynorhodon [Cyno=kunos=hond] of Hondsroos.

Dodonaeus 1569

Wilde roos uit: Rembertus Dodonaeus, Florum, et coronarium, Plantyn, Antwerpen, 1569.

Dodonaeus beschrijft in 1557 in Histoire des plantes  vijf soorten gecultiveerde en vier soorten wilde rozen.

De eerste gecultiveerde roos die hij beschrijft wordt volgens Dodonaeus in Italië Rosa Damascena genoemd, in Frankrijk Rosa alba, en in Nederduits witte Roosen, Plinius noemt deze roos volgens hem Campana Rosa. De takken kunnen wel 6 meter lang worden en hij heeft scherpe doornen. Als hij goed wordt onderhouden worden de uitlopers minder lang. Deze soort noemen we tegenwoordig Rosa alba.

De eerste wilde soort die Dodonaeus beschrijft is de musketroos, deze heet tegenwoordig de Kaneelroos of Rosa moschata.

De tweede wilde soort die hij beschrijft heet volgens hem in het Grieks κυνοροδομ, in het Latijn Rosa canina & Rosa sylvestris, in het Frans Rose sauvage, in het Duits wilder Rosen & Heckrosen en in het Nederduits wilde Roosen. Deze soort heet tegenwoordig de Hondsroos, Rosa canina.

De derde wilde soort is het Duynroosken, tegenwoordig de Duinroos, Rosa pimpinellifolia.

De vierde soort wordt in het Frans en Nederduits Englentier genoemd, tegenwoordig Egelantier, Rosa rubiginosa.

Van belang is dat het bij wat hij noemt de wilde Roos (Rosa sylvestris, Rosa canina, κυνοροδοσ), niet meer gaat om wilde rozen in het algemeen, maar om één soort die wij nu Hondsroos noemen.

Lobel 1581

De wilde Kaneelroos die in de duinen voorkomt en de ‘wilde roos’ uit: Matthias de Lobel, Kruydtboeck, Christoffel Plantyn, Antwerpen, 1581.

De Lobel beschrijft in zijn Kruydtboeck van 1581 ook meerdere typen tamme en wilde rozen in meer detail. Hij beschrijft een soort wilde roos die hij aanduidt als Cynosbaton of Canina Rosa odorata.

Blankaart 1698

De Hondsroos uit: Stephan Blankaart, Den Nederlandschen Herbarius, Ian ten Hoorn, Amsterdam, 1698.

Bijna honderd jaar later beschrijft Blankaart in 1698 in Den Nederlandschen Herbarius vijf soorten wilde rozen. Een daarvan is de Hondsroos of Rosa canina of Kynorhodos of Kynosbatos minor.

Zo zien we dus dat de termen Hondsdoorn en Hondsroos aanvankelijk in meer algemene zin gebruikt worden voor wilde rozen en dat dit geleidelijk verandert in één soort wilde roos die we heden ten dage ook nog Hondsroos noemen. Dodonaeus laat deze overgang duidelijk zien doordat hij de Hondsroos in het Nederlands nog aanduidt als Wilde roos of in het Duits als wilder Rosen, waardoor hij nog aansluit bij wat Fuchs schrijft maar ook duidelijk kiest voor één soort wilde roos, de huidige Hondsroos.

rozenstruweel Rosa canina, sanctuarium, herman de vries, 2001/2009.

Rozenstruweel van Rosa Canina, sanctuarium van kunstenaar herman de vries, aangeplant 2001 / foto 2009, Zeewolde. Coll. gemeente Zeewolde ( in opdracht van Stichting De Verbeelding kunst landschap natuur). Voorschrift kunstenaar: ‘de rozen worden nooit gesneden’.

PRAKTIJKTEST

Zaden praktijktest 2016 geoogst Kruidhof.

Zaden van verschillende soorten wilde rozen te gebruiken bij de praktijktest. Zaden (4 tableaus links) in november 2016 geoogst bij de Botanische tuin De Kruidhof in Buitenpost met dank aan Jan Willem Zwart.

Deze oude methode van aanleg van een erfafscheiding is niet alleen in de vergetelheid geraakt, maar dergelijke type erfafscheidingen komen in Europa ook vrijwel niet meer voor. Georg Müller is bij zijn uitvoerige inventarisatie van verschillende typen oude erfafscheidingen slechts één grote haag tegengekomen die vrijwel alleen uit rozen bestaat.

Rozenhaag zoals aangetroffen als erfafscheiding door Georg Müller.

Rozenhaag als erfafscheiding zoals aangetroffen in Coolbaun (Ierland) door Georg Müller.

Ik heb me daarom voorgenomen om deze oeroude methode van aanleg van een erfafscheiding opnieuw in de praktijk te gaan brengen. Inmiddels heb ik de noodzakelijke  voorbereidingen voor de aanleg getroffen. De heg wordt 15 meter lang en ik heb gekozen voor zaad van diverse soorten in Nederland voorkomende wilde rozen. Ik heb voor een touw van kokosvezel gekozen en meel van kikkererwten en gele erwten. Ik zal, als ik dit mooie project kan verwezenlijken, later in een nieuw blog op deze site verslag uitbrengen van mijn ervaringen.

Bronnen:

Stephan Blankaart, Den Nederlandschen Herbarius, Ian ten Hoorn, Amsterdam, 1698

Lucius Junius Moderatus Columella, On Agriculture, English translation plus latin text by E.S. Foster and E.H. Heffner, Cambridge, Massachusetts (Harvard University press, The Loeb classical library)1979

Lucius Junius Moderatus Columella, Zwölf Bücher über Landwirtschaft, Buch eines unbekannten über Baumzüchtung, lateinisch-deutsch, herausgegeben und übersetzt von Will Richter, Namen- und Wortregister von Rolf Heine, München und Zürich (Artemis Verlag) 1983

Petrus de Crescentiis, De omnibus agriculturae partibus [Opus ruralium commodorum], Petri, Basel, 1548

Petrus de Crescentiis, Erfolgreiche Landwirtschaft, Ein mittelalterisch Lehrbuch, Eingeleitet, übersetzt und mit Anmerkungen versehen von Benedikt Konrad Vollmann, Stuttgart (Hiersemann) 2007

Johannes von Cuba, Den groten herbarius met al sijn figueren, die Ortus sanitatis ghenaemt is, Nicolaes Grapheus Antwerpen, 1514

Rembert Dodoens [Dodonaeus], Histoire des plantes, Jean loë, Antwerpen, 1557

Rembertus Dodonaeus, Florum, et coronarium, Plantyn,  Antwerpen, 1569

Leonhart Fuchs, New Kreutterbuch, Michael Isengrin, Basel, 1543

Matthias de Lobel, Kruydtboeck, Christoffel Plantyn, Antwerpen, 1581

Georg Müller, persoonlijke (e-mail) discussie over eerdere versie van deze blogtekst.

Georg Müller, Europas Feldeinfriedungen, Wallhecken (Knicks), Hecken, Feldmauern (Steinwälle), Trockenstrauchhecken, Biegehecken, Flechthecken, Flechtzäune und traditionelle Holzzäune Band 1 und 2, Neuer Kunstverlag 2013. www.wallhecke.de

Palladius, De re rustica, in: Libri de re rusticam, Galliot du pre, Parijs, 1533

Palladius, The work of farming (Opus Agriculturae), A new translation from the latin by John G. Fitch, (Prospect books) 2013

Luis Ramon-Laca, Hedges and hedgrows: traditional elements of the rural landscape in the Iberuan Peninsula, Studies in the history of gardens and designed landscapes, 2014, p. 21-24

http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1080/14601176.2013.830422

Willem van Riemsdijk,Van de Tún, Tuin en Vlechtheg volgens het boek ‘Succesvolle landbouw van Petrus de Crescentiis, 2016, http://www.stinze-stiens.nl/nieuws/blog/van-de-tun-tuin-en-vlechtheg-naar-het-boek-succesvolle-landbouw-van-petrus-de-crescentiis/#more-2282