‘Cruydt-boeck van Rembertvs Dodonævs’

‘Cruydt-boeck van Rembertvs Dodonævs, volgens sijne laetste verbeteringe: met biivoegsels achter elck capittel, uut verscheyden cruydtbeschrijvers: Item in’t laetste een beschrijvinge vande Indiaensche gewassen, meest getrokken wt de schriften van Carolvs Clvsivs’. Het XXIII Capittel Van de Valsche soorten van Narcissen, anders Geele Tijdeloosen oft Geele Sporkel bloemen genaemt. Tot Leyden, in de Plantynsche druckerije van Françoys van Ravelingen. 1618, p. 356. Privécollectie.

Cruydt-Boeck

Diverse typen oude plantenboeken zijn een bron van informatie en inspiratie over het voorkomen van planten in het verleden. Een bekend Nederlandstalig kruidboek is het Cruydeboeck uit 1554 door Rembert Dodoens. In de latere meer uitgebreide uitgaven wordt het boek Cruydt-Boeck genoemd met als schrijver Rembertus Dodonaeus. In deze latere uitgaven komen veel planten die we nu aanduiden als stinzenplanten voor. Deze planten groeiden toen in delen van Europa in akkers, randen van akkers en wegbermen en ook werden deze planten in tuinen toegepast.

De vader en grootvader van Rembert Dodoens komen uit Friesland. Rembertus Dodonaeus is de Latijnse versie van zijn naam. Hij is geboren in Mechelen en werd later hoogleraar in Leiden. Hij was arts en botanicus. Zowel de druk van 1554 als die van 1644 staan op internet. De boeken zijn gedrukt in gotische letters en geschreven in het Nederlands van die tijd en zijn daardoor wat lastig leesbaar. De namen van de planten zijn ook vaak anders dan tegenwoordig, zowel de wetenschappelijke als de Nederlandse namen. De genoemde site heeft een index van plantennamen zoals die nu worden gebruikt. Naast de weergave van de oorspronkelijke tekst is de tekst ook voor een groot deel omgezet naar ons huidige schrift en deels naar modern Nederlands. Het aardige van dit kruidboek is dat hij vaak een goed beeld geeft in welk milieu in Europa de planten toen voorkwamen, afgezien van de geografische locatie.

Een mooi voorbeeld is de Gele tijdeloos, of Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus). Het begrip tijdeloos wordt gebruikt voor een plant die buiten het normale seizoen bloeit, dus of heel vroeg of heel laat in het jaar. Dodonaeus (uitgave 1554, transcriptie) schrijft over het voorkomen van de Gele tijdeloos of Sporckelbloem (februaribloem): ‘Deze bloemen groeien in vochtige plaatsen, in donkere bossen en ook aan de kanten van de velden als bij Overs en Bornehem waar ze overvloedig groeien, ze worden ook op veel plaatsen in de hoven geplant.’ In de uitgave van 1618 wordt vermeld: ‘De Tijdelozen worden gevonden op verschillende gewesten van Nederland omtrent de kanten van de akkers en de velden bijzonder op vochtige weke grond en ook in de bossen en boomgaarden. Op diergelijke plaatsen ziet men ze ook groeien zo wel in Hoogduitsland als ook in Spanje. Men zet ze en oefent ze ook veel in de hoven, want de dubbele moeten door oefeninge en kunst zulks worden: en ze groeien nergens in het wild.’

Deze tekst toont aan dat de Wilde narcis in de zestiende en zeventiende eeuw op veel plaatsen in Nederland in het wild voorkwam en in tuinen. In tuinen kwamen ook gekweekte soorten voor met dubbele bloemen. De beschrijving zou niet misstaan in een moderne ecologische flora.

In het Fries wordt de Narcissus pseudonarcissus, Titelroas, genoemd, een benaming die waarschijnlijk ook afstamt van het Oudnederlandse Tijdeloos net als het Nederlandse Herfsttijloos ( Herfst tijdeloos, Colchicum autumnale). Uit de Dodonaeus blijkt ook dat veel andere voorjaarsbollen in die tijd al werden toegepast ‘in de hoven’. De bollen werden toen meestal in perken aangeplant. Als we het over het begrip stinzenflora hebben refereren we naar voorjaarsbollen die op grotere schaal verwilderd zijn in landschappelijk aangelegde tuinen. Dit soort terreinen komen in Nederland op meerdere plaatsen voor, niet alleen in Friesland.

Flora Frisica

Speciaal over planten in Friesland is er de Flora Frisica. De oudste van David Meese uit 1760 beschrijft vrijwel geen stinzenplanten. Die planten waren er wel in die tijd in de hoven (tuinen) maar mogelijk niet in het wild.

Interessanter voor ons doel is de negentiende-eeuwse Flora Frisica of naamlijst der zigtbaar-bloeijende planten van de provincie Friesland, benevens eene schets van derzelver verspreiding, en aanwijzing van de geneeskrachtige, oeconomische en technische gewassen; voorafgegaan door eene korte beschrijving van de natuurlijke gesteldheid des Frieschen bodems door J.J. Bruinsma (1840). Josephus Johannes Bruinsma was apotheker in Leeuwarden.

In deze Flora (PDF, 48MB) worden diverse voorjaarsbollen vermeld bij de ‘Dekama-state’ (nu Dekema State) in Jelsum en de Martenastate in Kollum. Bij Dekama-state worden genoemd Sneeuwklokje en Knikkende vogelmelk (beide wit bloeiend) terwijl bij Jelsum nog de Bostulp wordt genoemd. Bij de Martenastate worden genoemd, Bonte crocus, Holwortel, Longkruid, Adderwortel en Lelie der Dalen, terwijl in ‘Kornjum’ (nu Cornjum of Koarnjum) nog Haarlemsklokkenspel en Bostulp (menigvuldig onder de bomen) worden genoemd.

In een krantenartikel uit de Leeuwarder Courant uit 1940 worden meer soorten voorjaarsbollen bij beide states genoemd. We kunnen dus concluderen dat tussen 1840 en 1940 de belangstelling voor de stinzenflora (verder) toenam. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden er veel slingertuinen in landschapsstijl door Vlaskamp aangelegd in Friesland.