Chrysanth. Peruntanum Dodoens 1569

Chrysanth. Peruntanum. Dodonaeus R., Florum et coronariarum odoratarumque nonnullarum herbarum historia, Altera editio (1569)

In de zestiende eeuw waren er in Europa al veel tuinen van liefhebbers en plantenverzamelaars. Niet alleen vorsten en adel bezaten dergelijke tuinen, maar ook vooraanstaande burgers. Deze tuinenbezitters probeerden een zo groot en mooi mogelijke verzameling van planten te krijgen in hun tuin. In deze periode ligt ook het begin van de ‘moderne’ kruidenboeken (de Duitse kruidkundige Brunfels publiceert zijn kruidenboek in 1531, gevolgd door Bock en Fuchs, en iets later Dodonaeus, de Lobel en Clusius, alle drie geboren in de Zuidelijke Nederlanden). Bijzondere plantensoorten waren zeldzaam, kwamen soms van ver en waren ook kostbaar. Planten werden dan ook regelmatig gestolen. Je had een goed ontwikkeld netwerk van contacten nodig om aan bijzondere soorten te kunnen komen. Er was een levendige uitwisseling van plantmateriaal, zaden en bollen via deze netwerken van plantenliefhebbers, in een tijd waarin reizen veel ingewikkelder was dan nu. De planten waren, behalve uit Europa, onder meer afkomstig uit klein Azië en Zuid-Amerika (West-Indië) en Oost-Indië, het tegenwoordige Indonesië. De planten uit Zuid-Amerika kwamen o.a. via Spanje naar de Nederlanden.

Een bron van kennis over deze tijd zijn de kruidenboeken. Hier zullen we aandacht besteden aan informatie uit enkele boeken geschreven door Dodonaeus en zullen we kennis maken met een klein deel van zijn netwerk. In een vorige blog is aandacht besteed aan de mogelijke relatie tussen Viglius en het Ayttablomke (Winterakoniet). Toen  schreef ik dat het goed mogelijk was dat Viglius Dodonaeus heeft gekend. Nadere studie, ook in verband met het hier beschreven onderwerp laat zien dat Viglius Dodonaeus zeker heeft gekend.

Historia Frumentorum, Leguminum: Dodonaeus en Viglius

Dodonaeus, 35 jaar, 1554

Rembertus Dodonaeus (1517-1585), 35 jaar. Dodonaeus R., Cruydeboeck (1554).

Nadat Dodonaeus zijn Cruydeboeck had gepubliceerd in 1554, publiceerde hij vier kleinere boekjes, alle in het Latijn geschreven, als voorbereiding op zijn latere belangrijke grote werk Stirpium Historiae Pemptades Sex [Beschrijving der planten in zes delen, 1583].

Het eerste van de vier boekjes verschijnt in 1566; Historia Frumentorum, Leguminum, en draagt hij op aan Viglius van Aytta. Dodonaeus kwam met Viglius in contact via  zijn vriend en verwant, Ioachim Hopperus (Joachim Hoppers 1523-1576).

In 1557 stelt Hoppers aan Viglius, die dan voorzitter is van de Geheime Keizerlijke Raad [Keizer Karel V] in Brussel, voor om een nieuwe medische leerstoel te creëren in Leuven en meldt daarbij dat hij Dodonaeus de meest geschikte persoon voor deze positie zou vinden. Viglius maakt dan kennis met Dodonaeus, die een goede indruk op hem maakt. Uiteindelijk gaat de benoeming niet door, vermoedelijk omdat het geboden honorarium en de arbeidsvoorwaarden Dodonaeus niet aanspraken. Voor uitgebreidere informatie zie  de bundel Het vierhonderdste sterfjaar van Dodoens .

Wie was deze wederzijdse vriend, Joachim Hoppers, en wie was Christine Bertolf

De vader van Rembertus Dodonaeus kwam uit Friesland net als Viglius zelf en Joachim Hoppers.

De grootvader van Rembertus was Rembert Jarickz (van) Joenckema. Rembert Jarickz had een dochter Tidea (Tieth) die trouwt met Feico (Feike) Piersma, burgemeester van Sneek. Uit dit huwelijk komt een dochter Rixt(ia) Piersma die trouwt met Suffridus (Sjoerd) Hopper(s). De familie Hoppers, was een vooraanstaande familie die een state bezat in Hemelum, Friesland.

Joachim Hoppers (1523-1576), is de zoon van  Suffridius Hoppers en dus een verwant van Rembertus Dodonaeus. Joachim wordt hoogleraar in de rechtswetenschappen in Leuven. In 1554 wordt hij lid van de Grote Raad in Mechelen, waarvan Viglius op dat moment president is. Deze benoeming heeft hij aan Viglius te danken. Later wordt Joachim ook president van de Grote Raad en raadsheer van de Geheime Raad in Brussel. In 1566, nadat Keizer Karel V is overleden in 1558, wordt Joachim door Filips II, enig zoon van keizer Karel V en koning van Spanje, benoemd tot raadsheer van de Koninklijke Raad in Madrid aangaande Nederlandse zaken en zegelbewaarder van de koning.

Joachim Hoppers is getrouwd met Christine Bertolf. Over Christine is niet al te veel bekend. Ze is in Leuven geboren in 1525, dochter van Gregorius Bertolfs (van Aken) (1484-1527) en Katryne van Edingen. Ze overlijdt in 1590 (vaak foutief vermeld als 1540) op 65 jarige leeftijd en ligt begraven in Brussel. Haar vader is ook  in Leuven geboren en wordt in 1527 benoemd tot voorzitter van het provinciaal Hof in Friesland en hij overlijdt aan het eind van datzelfde jaar in Leeuwarden.

Florum et coronariarum odoratarumque nonnullarum herbarum historia: Dodonaeus en Ioachim Hoppers

Dodonaeus draagt het tweede kleine boekje over planten, op aan zijn vriend en verwant Ioachim Hoppers. Dit boekje Florum et coronariarum odoratarumque nonnullarum herbarum historia verschijnt in 1568. Het was gewoonte in die tijd om een publicatie op te dragen aan een meer of minder bekende persoon. Vaak zijn deze stukken tekst erg formeel. De tekst voor in dit boekje geeft echter een goede kijk op de prima relatie tussen Dodonaeus en Hoppers en hun wederzijdse belangstelling voor planten. Dit komt vooral tot uiting aan het begin en het eind van deze tekst die ik hier in mijn eigen vertaling weergeef.

Rembertus Dodonaeus Medicus draagt dit [boekje] op aan zijn makker de grootste en meest belangrijke man, Joachimus Hopperus, gouden cavaleriesoldaat, heer van Dalem, raadsheer van de koning, groot schrijver.

Over de bloemen, geurende en kroondragende planten, zeer geachte Hopperus, hebben we vaak gesproken, en gediscussieerd, en we deelden de waardering voor dezelfde schrijvers: maar wij hebben geen aanmoediging nodig, voldoende eensgezind, over veel medische zaken en vooral over de bloemen is er wederzijdse belangstelling, waarvan we enkele zaken belichten in dit voorwoord. Met name over de ontdekking en de oorsprong van de bloemen en kruiden: over de mate van aantrekkelijkheid van diverse tuinen, bosjes en allerlei plekken in het wild: of welke woorden te kiezen voor de beschrijving der diverse aspecten, zoals de geur of beschrijving der bloemen, of van de aantrekkelijkheid van het wezen van een plant.

[middendeel tekst weggelaten]

wat jou betreft, de geschiedenis van onze toewijding, wat geheel en al geprezen moet worden, omdat ik vanaf onze vroege jeugd de aanwezige vriendschap heb gewaardeerd: 

ik kan vanzelfsprekend vrienden en verwanten niet missen. Vrienden hebben werkelijk de gewoonte, niet alleen van de dingen te genieten en te verbinden, maar om de blijdschap ook uit te drukken en te tonen met woorden. Deze, onze geschiedenis gaat dus voort, ik ben vereerd met jullie langdurige vriendschap en alle geluk en voorspoed en giften en gunsten van de grootste en machtigste koning heb ik niet verdiend. De toekomst ware te prijzen, ware het niet dat ik sinds lange tijd overtuigd was van een aangename en prettige toekomst. Ik voeg nu dus geen enkel woord meer toe, op deze wijze hopend dat je het kunt aanvaarden en dat het van nut is voor alle geleerden, en evenzeer ook voor jou. Het ga je goed, hoog geachte Hopperus. Negen januari, anno 1568, Mechelen

Christine Bertolf en de Chrysant uit Peru = Zonnebloem (Helianthus annuus)

Op p.304 komen we in de tweede druk van het boekje Florum et coronariarum (Altera Editio), dat in 1569 verschijnt, Christine Bertolf tegen in de epiloog.

Dodonaeus schrijft [weergegeven in vertaling]:

Terwijl we deze uitgave als tweede druk voorbereiden, duiken van twee zeldzame planten afbeeldingen op, van belang voor dit boek, van de Chrysant uit Peru [Zonnebloem] en de Asphodelus palustris [Moeras affodil].  De meest integere en meest geachte Christina Bertolf maakte ons attent op de Chrysant uit Peru. De afbeelding was haar toegestuurd vanuit Spanje door haar echtgenoot, de zeer hoog geachte heer Joachim Hoppers, raadsman van de koning. 

Even verderop op p.305 wordt de Chrysant van Peru als volgt beschreven:

De Chrysant uit Peru is een opvallende hoge plant met een mooie bloem van een opvallende grootte. De plant komt voor in Peru en in andere delen van Amerika. Gekweekt in de koninklijke tuin in Madrid, bereikte hij een hoogte van wel 24 voet: de dikke stengel gaat recht omhoog: met zeer grote bladeren: lijken enigszins op het blad van een Chrysant, maar veel groter, de bloemschijf is breder dan een voet en meer dan twee of drie ‘uncias’, [ons, 27 g?], rond de bloemschijf zijn bladeren die lijken op die van de Rode lelie maar dan groter, goudgeel van kleur. Het schijnt dat ze hem ook Indiaanse zon[nebloem] noemen, omdat ze [bloemblaadjes rond de bloemschijf] lijken op de stralen van de zon. We hebben deze plant gezien in een tuin die vol staat met verschillende soorten planten, een tuin in bezit van de alleraardigste en zeer vriendelijke heer Jean (Joachim) Brancion, een man die zeer veel kennis heeft van plantensoorten, door wiens vriendelijkheid en welwillendheid diverse bloemen konden worden opgenomen in deze beschrijving, die we anders hadden gemist, omdat toevallig elders, dan in zijn tuin, gezocht was. In zijn tuin heb ik de Chrysant van Peru gezien, maar hij groeide daar tot slechts 10 of 12 voet: de bladeren enigszins naar beneden gebogen, veel kleiner dan het exemplaar uit Spanje: de plant blijft mogelijk kleiner omdat de winter nadert, waardoor hij niet kan uitgroeien. Werkelijk dezelfde plant zou in Padua Italië veel hoger nog dan in Spanje uitgroeien tot wel 40 voet of 120 palm; met een volgroeide bloem, maar geen rijp zaad gevormd, wat we vernamen van de zeer hooggeachte heer Antonio Cortusi inwoner van Padua, de meest ervaren en geleerde man op het gebied van de simplicia de meest vriendelijke hortulanus in wiens tuin de plant groeide en die de mogelijkheid had om de optimale verzorging te leren kennen. De steeltjes van de nog jonge bladeren, nadat de beharing is verwijderd, op de gril gebraden, eerst wat zout en olie toegevoegd, aangenaam van smaak, en in hoeverre het aangenaam is, ontdekt men door ondervinding; net zo met de zaden die in de bloemkelk komen; hij schrijft dat ze net zo lekker zijn om te eten als de hoofdjes van de artisjokken, niet minder, maar meer nog, pros ta aphrodisia [grieks, getranscribeerd]

Flos Solis. Dodoens 1644

Flos Solis oft Indiaensche Sonnebloeme. Dodonaeus R., Cruydt-Boeck (1644)

De hoogtes die Dodonaeus vermeld van de Zonnebloem zijn aanzienlijk, ruim zeven meter voor de plant in Madrid en ca. 12 meter voor die in Padua. In Duitsland lag recent het wereldrecord voor een Zonnebloem op 8 meter. De mededeling dat er geen rijp zaad wordt gevormd in Padua lijkt niet te kloppen. Het is aardig dat Dodonaeus de werking van het brouwsel van de Zonnebloem hier als aphrodisiacum aanduidt. In de latere bewerkte Nederlandstalige Cruydt-boecken, die na de dood van Dodonaeus verschijnen en waarvan de laatste druk in 1644 verschijnt, is de beschrijving van de geschiedenis van de Zonnebloem zeer beknopt en komen Christine, noch Brancion, noch Cortuso meer voor. De passage over het aphrodisiacum, wordt weergegeven met de vrij plastische tekst:

Sommighe willen versekeren, dat dit cruydt den lust van bijslapen sterckelijck doet komen, ende de kracht om den selven te boeten ende te volbrenghen seer vermeerderen kan. Opvallend is ook dat er al een uitwerking van een aftreksel van de Zonnebloem op de mens wordt vermeld, terwijl de plant nog niet zo lang in Europa zal zijn geweest. Mogelijk was dit effect al bekend bij de inwoners van Peru. Peru wordt door de Spanjaarden onder aanvoering van Fransisco Pizarro op de Inca’s veroverd in de periode 1532-1537.

Wie waren Jean de Brancion en Giacomo Antonio Cortuso

J. de Briancon

Jean (Joachim) Brancion. UIt: Hunger, F.W.T., Charles de l’Escluse Carolus Clusius Nederlandsch kruidkundige 1526-1609 II (1942)

Jean de Brancion was een welgestelde ingezetene van Mechelen. Dodonaeus woonde in die periode ook in Mechelen en was bevriend met De Brancion. Deze De Brancion had een bijzonder fraaie tuin met vele bijzondere plantensoorten. Volgens Clusius had De Brancion ‘de mooiste tuin van Nederland en zelfs van de hele christelijke wereld’.

Giacomo Antonio Cortuso (Jacobus Antonius Cortusus, 1513-1603) was een geleerd man en groot kenner en liefhebber van planten met een privé tuin die grote bekendheid genoot in Europa. In 1590 wordt hij hoofd van de Hortus in Padua, die al in 1545 was gesticht.

Christine Bertolf en de Nasturtium Indicum of Kleine Oost-indische kers (Tropaeolum minus

Nasturtium Indicum. Dodoens 1574

Nasturtium Indicum. Dodonaeus R., Dodonaeus R., Purgantium aliarumque eo facientium, tum et Radicum, Convolvulorum ac deleteriarum herbarum historiae Libri IIII (1574)

In het derde kleine boekje van Dodonaeus in het Latijn, Purgantium aliarumque, in de Appendicis, pars prior, de flore Tigridis, Nasturtio Indico, & Corona imperiali, (1574) Cap XXXII, p.473, wordt de Nasturtium indicum kort beschreven als een van drie nieuwe planten. Later in 1584 in de eerste druk van Stirpium Historiae Pemptades Sex wordt de Nasturtium indicum uitgebreider beschreven en dan komen we Christine Bertolf weer tegen. In de tekst van Purgantium schrijft Dodonaeus dat hij van drie voor hem nieuwe planten afbeeldingen heeft gekregen, dat de planten niet uit Europa komen en dat ze opvallende kleuren hebben. De eerste twee (waaronder de Nasturtium Indicum) komen uit Amerika, dat men West-Indië noemt. De naam Oost-indische kers is dus niet juist, West-indische kers zou een betere naam geweest zijn. Het begrip kers komt van de smaak van het blad dat lijkt op dat van de waterkers. De afbeelding van de Nasturtium Indicum krijgt hij van Jean Boisot, een welgestelde erudiete plantenliefhebber uit Brussel, die ook een mooie tuin bezat. De laatste afbeelding, die van de Corona imperiali, krijgt hij van Alfonso Pancius. Alfonso Pancius woonde in Ferrara, Italië, was lijfarts van de hertog van Ferrara en was hoogleraar in de medicijnen en ook een plantenkenner.

In Stirpium historiae van 1583, worden de Nasturtium Indicum en de Tigridis flos beschreven in de appendix van de derde pemptade en het derde boek op p.420-421. De Stirpium Historiae is ingedeeld in zes pemptades, en een pemptade is weer onderverdeeld in een aantal boeken en elk boek is weer ingedeeld in hoofdstukken. Dit boekdeel gaat o.a. over de windes. De beschrijving begint met de tekst [in vertaling]:

Enkele jaren voor deze Pemptade zou het boek Purgantium (1574) verschijnen, dat uit vier delen of boeken bestaat. Daarin staan enkele afbeeldingen en korte beschrijvingen van deze planten. Twee hebben we hier nog niet besproken: Nasturtium Indicum en Tigridis flos. Vervolgens volgt een vrij gedetailleerde beschrijving van het uiterlijk van de Nasturtium Indicum met zijn gele bloemen.

Daarna schrijft hij op p.421:

Ik zag deze plant in Keulen in de tuin van Christina Bertolf, de weduwe van de hooggeachte Joachim Hoppers, die het zaaide met zaad afkomstig uit Spanje, en het zorgzaam opkweekte.

Nasturticum Indicum icon missa en vera. Dodoens 1583

Nasturticum Indicum icon missa (toegestuurd), Nasturticum Indicum vera icon (werkelijke afbeelding). Dodonaeus R., Stirpium historiae pemptades sex, sive libri XXX (1583)

Interessant is dat er een groot verschil is tussen de afbeelding van de Nasturtium Indicum in het boekje van 1574, dat gebaseerd is op de hem toegezonden afbeelding, en de afbeelding van deze plant in de latere kruidenboeken van Dodonaeus, die gebaseerd zijn op de waarneming in de tuin van Christine Bertolf. In Stirpium Historiae Pemptades sex (1583), staan de oude en de nieuwe afbeelding naast elkaar. Het kopje boven de afbeeldingen luidt bij de één: Afbeelding Nasturticum Indicum toegestuurd (icon missa), en bij de ander: Werkelijke afbeelding van de Nasturticum Indicum (vera icon).

De afbeelding van de bloem van de Nasturticum Indicum en de Tropaeolum minus, waar hij vaak mee wordt geïdentificeerd, toont nog wel de nodige verschillen, vraag is dus of deze identificatie correct is. Voor het inzicht in de relatie tussen Dodonaeus en Christine Bertolf is dit echter niet zo relevant. In het Cruydtboeck  van 1618 en 1644 duidt Dodonaeus de Nasturtium Indicum aan in het Nederlands als Indiaanse kers.

De politieke, maatschappelijke en geografische context

In 1568 beginnen terechtstellingen van protestanten onder het bewind van Alva, dat protestanten beschouwde als afvalligen die vervolgd moesten worden. In1569 voert Alva de tiende penning in de Nederlanden in met grote negatieve gevolgen voor de welvaart. Er moest 10% belasting worden betaald over elke transactie met roerende goederen. In 1572 kwam er opstand in de Nederlanden en werd Den Briel ingenomen door de watergeuzen. In oktober 1572 wordt Mechelen geplunderd door de Spaanse soldaten omdat Mechelen doorgang had verleend aan het leger van de prins van Oranje. Het huis van Dodonaeus wordt ook geplunderd, ondanks het feit dat hij katholiek was, en hij verliest een groot deel van zijn bezittingen. In dat jaar overlijdt ook zijn vrouw. In 1574 publiceert Dodonaeus het boekje Purgantium dat hij opdraagt aan Philips II. Hij probeert via Hoppers, die dan in Spanje raadsman is van koning Filips II, om benoemd te worden tot koninklijke lijfarts in Madrid. Hij wordt echter in 1574 lijfarts van keizer Maximiliaan II in Wenen. In Oktober 1576 overlijdt de keizer, die wordt opgevolgd door Rudolf II. Terwijl Maximiliaan vrij liberaal omging met mensen van verschillende geloofsovertuiging was Rudolf streng katholiek. Protestanten werden ontslagen. Dodonaeus kon blijven maar wilde terug naar Mechelen. Hij vertrok in het voorjaar van 1578, maar week vanwege de onrustige politieke toestand in de Nederlanden uit naar Keulen, waar hij verbleef van 1578-1581. Keulen was in die tijd een vrij liberale relatief rustige omgeving, waar veel mensen hun toevlucht zochten.

De bloeme van de Indiaensche kersse. Dodoens 1644

De bloeme van de Indiaensche kersse. Dodonaeus R., Cruydt-Boeck (1644)

Ioachim Hoppers overlijdt in 1576 in Madrid. Christine Bertolf krijgt een forse toelage van de koning en vestigt zich in Keulen. In 1574 beschrijft Dodonaeus de Nasturtium Indicum op basis van de afbeelding die hij toegestuurd kreeg van Jean Boisot en in 1583 meldt hij dat hij deze plant heeft gezien in de tuin van Christine Bertolf. Hij zal de plant dus gezien hebben toen hij en Christina in Keulen waren, dus in de periode 1578-1581. Christine had kennelijk ook in Keulen, nadat haar man was overleden, weer een tuin met bijzondere planten. Dit toont haar grote interesse in het verzamelen van bijzondere planten duidelijk aan en tevens toont het aan dat zij nog goed contact had met Dodonaeus.

Geraadpleegde literatuur:

Backer A.M., Tuinkunst tijdens de tachtigjarige oorlog. De prinses van Chimay (ca.1550-1605) en de ‘humanisering’ van de bloem.    http://dehefpublishers.nl/upload/file/Tuinkunst-tijdens-de-tachtigjarige-oorlog-kopie.pdf

Dodonaeus, R., Historia Frumentorum, leguminum, palustrium et aquatilium herbarum, ac eorum, quae eo pertinent (1566).

Dodonaeus R., Florum et coronariarum odoratarumque nonnullarum herbarum historia, Altera editio (1569). 

Dodonaeus R., Purgantium aliarumque eo facientium, tum et Radicum, Convolvulorum ac deleteriarum herbarum historiae Libri IIII (1574).

Dodonaeus R., Stirpium historiae pemptades sex, sive libri XXX (1583).

Dodonaeus R., Cruydt-Boeck (1644).

Gelder, van E., Tussen hof en keizerskroon, Carolus Clusius en de ontwikkeling van de botanie aan de Midden-Europese hoven (1573-1593), Leiden 2011.