'Waarover spraken zij?', Dienstboden dokter Ype Terpstra

‘Waarover spraken zij?’, Dienstboden van dokter Ype Terpstra en zijn vrouw Jetske Terpstra-Abma in Stiens, ca. 1895. Archief W. Y. Sijtsema.

Als we iets willen weten over ons eigen persoonlijk verleden, gaan we graag te rade bij oudere generaties. Wie zat niet graag bij grootvader te luisteren naar zijn verhalen of bij grootmoeder die haar ervaringen vertelde. Mondelinge overlevering is een van de oudste manieren om het verleden levend te houden van generatie op generatie. Zo werd geschiedenis geschreven, ook over heel serieuze onderwerpen.

Mondelinge overlevering raakte echter in onbruik en vooral de verhalen van de individu raakten in de vergetelheid als middel om geschiedenis te schrijven. Dit veranderde in de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw. Vaak waren het zwaar beladen onderwerpen, over de Tweede wereldoorlog of over maatschappelijke ontwikkelingen als de feministische beweging. Het ging niet alleen meer om het verhaal van de helden maar ook over de burger, die zich daardoor meer maatschappelijk betrokken voelde. Geschiedenis gaat ook over jou en mij.

‘Mondelinge geschiedenis’ of ‘Oral history’ is weer een gevestigde methode om geschiedenis te schrijven. Het is één aspect bij bouwhistorisch onderzoek, aldus de Richtlijnen hiervoor van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Er is zelfs een Stichting voor Mondelinge Geschiedenis Nederland en een School voor Mondelinge Geschiedenis. En wie herinnert zich niet de boekenserie ‘Het Bureau’ van J.J. Voskuil,  waarin hij zijn belevingen optekent in het Meertens Instituut waar hij werkte. Het vastleggen van de mondelinge cultuur in Nederland was een van de belangrijke onderzoeksopgaven van dat instituut. Werd in het verleden ‘Mondelinge geschiedenis’ vooral gebruikt om feiten te ondersteunen en te staven of juist de gebruikelijke verhalen in een kritisch daglicht te stellen, nu wordt er meer en meer onderzoek gedaan naar de context van deze verhalen en hoe deze in de loop der tijd kunnen veranderen naarmate de omstandigheden zich wijzigen. De herinnering is altijd gekleurd. Daarom zijn ook andere bronnen van groot belang, brieven en andere schriftelijke documenten bijvoorbeeld om een beter zicht te krijgen op het verleden. Hoe meer onafhankelijke bronnen overeenkomende informatie geven des te groter is de kans dat deze informatie overeenkomt met het feitelijke verleden.

‘1838 Doktershûs 2012’. De naam werd onthuld door de Stichting Monumentenzorg Leeuwarderadeel. op 20 juni 2013. Foto: 25 oktober 2015.

‘1838 Doktershûs 2012’. De naam werd onthuld door de Stichting Monumentenzorg Leeuwarderadeel. op 20 juni 2013. Foto: 25 oktober 2015.

Gelukkig is de geschiedenis van het Doktershûs in het algemeen niet zo zwaar beladen. Een huis genereert de verhalen van de mensen die het bouwden, bewoonden en in stand hielden. ‘De meeste aandacht en tijd gaat bij restauraties uit naar “het verhaal van het erfgoed”’, zei de Erfgoedstem onlangs op Twitter (13 juli 2017, citaat Arno Boon Stichting BOEI). Bij het onderzoek naar de geschiedenis van het Doktershûs hebben we veel aan verhalen gehad, van de nazaten van de artsen die er woonden of van mensen die met hen te maken hadden. En de verhalen werden ondersteund met foto’s die vroeg of laat boven water kwamen. De gesprekken leverden weer stof tot nadenken en tot nader onderzoek.

Apotheek Doktershûs Stiens, Pillendoosje dokter Jeen Iest, ca. 1863-1886

Apotheek Doktershûs Stiens, Pillendoosje dokter Jeen Iest, ca. 1863-1886

We kregen contact met Pieter Klaas van Boven, een nazaat van de eerste arts-bewoner van het Doktershûs Pieter Klazes Iest. Hij is een kleinzoon van een kleinzoon en inmiddels zelf in de 80. Naar bleek hadden hij en zijn vrouw in 1983 een bezoek gebracht aan dokter Bosma, de laatste arts-bewoner van het Doktershûs. Bij die gelegenheid kreeg hij het medicijndoosje dat de arts Jeen Iest aan een van zijn patiënten had gegeven. Jeen Iest nam waarschijnlijk de dokterspraktijk over van zijn vader Pieter Klazes Iest. Bijzonder was dat Pieter van Boven het medicijndoosje, waaraan hij zeer gehecht was, aan ons gaf toen hij zag met hoeveel zorg het huis van zijn voorouders  was gerestaureerd en hoe mooi de 19e-eeuwse apotheek weer onderdeel was van het gerestaureerde huis.

Pieter van Boven heeft een rijk archief over zijn familie. De familierelaties konden we onder andere met behulp van zijn gegevens in kaart brengen. Hij bracht nog meer onverwachte dingen mee, een ‘albumplaatje’ naar een oude ansicht waarop het Doktershûs prijk en hij gaf ons ook een kopie van het proefschrift van Jeen Iest, de zoon van Pieter Klazes en Sjoukje Jeens Taekema echtgenote van Pieter Klazes Iest, die samen het Doktershûs op Smelbrêge 6 in Stiens in 1838 bouwden.

Albumplaatje Smelbrêge 6,

Albumplaatje Smelbrêge 6, Archief Van Riemsdijk-Zandee, schenking van P.K. van Boven, nazaat P.K. Iest. voorzijde

Albumplaatje Smelbrêge 6

Albumplaatje Smelbrege 6, Archief Van Boven achterzijde

Hij wees ons op een bijzondere document, aanwezig in Tresoar, een naamdicht voor Pieter Klazes. Hij vermoedde dat het zijn koetsier was. Uit nader onderzoek op de website ‘allefriezen.nl’ blijkt dat het om Frederik Hendrik Bersma gaat, volgens het bevolkingsregister van 1839 als ‘leerling’ inwonend bij het gezin Iest. In de Memorie van successie van Bersma’s moeder van 1841 staat hij als doktersleerling in Stiens te boek. In 1850 wordt hij uit het kerkelijk register geschreven in verband met zijn verhuizing naar Vrouwbuurt. In 1855 trouwt hij en is dan heel- en vroedmeester in Vrouwenparochie. Helaas overlijdt hij twee jaar later. Het naamdicht, in fraai handschrift opgetekend in zijn begintijd als doktersleerling, geeft een bijzonder inkijkje in de 19e-eeuwse gebruiken.

Nammefers P.K. Iest 1840

‘Nammefers’ op Pieter Klazes Iest t.g.v. zijn verjaardag op 4 October 1840, door ‘Uw Weledeles heilwenschenden Dienaar F.H. Bersma’, zijn leerling. Archief Tresoar Leeuwarden. Herkomst: ‘Fan dhr. G.T. de Vries, Stiens, Smelbrêge 28. Afkomstig út it boelguod fan Sjoerd Hoekstra, doktersfeint by de dokter fràr dokter Iest syn tiid. 30 VI 1969’

Pieter van Boven wist te vertellen dat Jeen Iest vermoedelijk door een ongeluk met een koets te water raakte en op 52-jarige leeftijd overleed. We deelden de beschrijvingen die Troelstra geeft van zijn herinneringen aan het doktershuis en zijn bewoners aan de andere kant van de kerk, waar Jeen Iest toen als arts woonde. Deze beschrijvingen staan in de Gedenkschriften (dl. I, ‘Wording’ 1927). Hij gaf ons foto’s van de families. Zo werd het huis verbonden met de mensen die er woonden en opgroeiden. Door zijn verhalen ontstond een sfeerbeeld van beide families, de familie Iest, een welgestelde boerenfamilie uit Drachten en de familie Taekema, een rijke boerenfamilie uit Ureterp.

Tekening situatie Selmien, ca. 1940, eigen waarneming, P.K. van Boven.

Tekening situatie Selmien, ca. 1940, eigen waarneming, P.K. van Boven.

Hij vertelde dat zijn grootmoeder wel bij de wandelingen in Ureterp zei dat de zgn. beroemde ‘Bosma-zathes’ eigenlijk Taekema-zathes hadden moeten heten omdat de zates met ‘Taekema-geld’ gebouwd waren. Dit verhaal konden we staven door nader onderzoek aan de hand van notariële aktes en bevolkingsregisters. Wij vertellen het weer door via onze website. Samen trokken we hierin op.

Dagboek van Aaltje Iest. 1937. Archief P.K. van Boven.

Dagboek van Aaltje Iest. 1937. Archief P.K. van Boven.

Foto’s van een bijzonder herinneringsalbum, opgesteld door een tante, deelde hij met ons. Het album verhaalde van de buitenplaats in Ureterp waar zijn grootvader Pieter Iest woonde en die verrijkt was met een bijzondere ‘pleziertuin’. Dit stimuleerde ons weer tot nader onderzoek van de Vlaskamp-tuinen in de familie. Naar bleek was de jonge tuinarchitect Gerrit Vlaskamp al vroeg geliefd bij de familie Taekema. Mede met hulp van het eerdere onderzoek naar de Vlaskamptuinen van Aly van der Mark, konden we een fraaie ‘stamboom’ van opdrachtgevers uit de familie Taekema aan Gerrit Vlaskamp uittekenen.

Foto ‘Tjitske Iest portretgroep’

‘Tjitske Iest portretgroep’. Hoogstwaarschijnlijk (v.l.n.r.) Elisabeth Iest (zittend) met (staand) haar zussen Sjoukje Posthuma-Iest, Tjitske van der Leij-Iest, en (zittend) de jongere generatie Sjoukje van der Leij, en Sjoukje Posthuma. De foto is vermoedelijk genomen in 1884, toen, naar bleek uit een krantenadvertentie in een Zwitserse krant, 27 september 1884, getekend door Sybren van der Leij (Davos-Platz), een zoontje van hem en Tjitske overleden was op 2,5 jarige leeftijd, misschien aan TBC. Wellicht had hij dezelfde ziekte. Archief: Rienk en Jenny van der Leij (Zuid-Afrika).

Een ander avontuur waren de contacten met nazaten van de familie Iest die in Zuid-Afrika wonen. De jongste dochter van Pieter Klazes en Sjoukje, Tjitske Iest, was getrouwd met Rienks Sybren van der Ley, zoon van Rienk Jans van der Ley, indertijd burgemeester van Ferwerderadeel en Statenlid. Via een zoektocht op internet kwamen we uit bij een Sybren van der Ley in Zuid-Afrika, die ons op zijn beurt in contact bracht met zijn ouders Rienk en Jenny van der Ley. Naar bleek hadden dezen het oorspronkelijke familiealbum. Helaas waren er geen foto’s van het huis, wel van de familie zonder dat daarbij echter de namen bekend waren. Wij konden hen helpen en zij ons. Op één foto in hun album staat een gezelschap van drie wat oudere dames en twee jongere meisjes. Bekend was bij de familie wie hun voorouder Tjitske op de foto was. Door de context waarin de foto genomen was konden we herleiden dat de linker figuur hoogstwaarschijnlijk Elisabeth, de oudste dochter van Pieter Klazes en Sjoukje, zou moeten zijn. Deze bleef na de dood van Pieter Klazes met haar moeder in het Doktershûs wonen, vermoedelijk in de grote kamer op de bovenverdieping. Uit een inventarislijst opgemaakt na het overlijden van Pieter Klazes in 1863 en aanwezig in Tresoar, wisten we wat in die kamer stond: ‘ een mahonie tafel, zes stoelen en een fauteuil, een bed en peluw, 12 paar theegoed blauw met goud, 18 paar verguld theegoed, 12 paar porseleinen dito, 3 assietten, porseleinen stoofje en trekpot, 26 witte schaaltjes, 2 filtreerkannen, stoofje met trekpot enz., schildpadden theekistje, ornamenten, 2 tabakskistjes en klein servies, 2 kristallen karaffen, 2 dito compotten en een kom, een vogelkooi met stander, tapijt, karpet en kleedjes, damspiegel met vergulde lijst en een kast met boeken.’ Zo kwam de kamer tot leven.

Stiens apotheek Doktershûs.

Stiens apotheek Doktershûs. Opstandflessen (19e eeuw), microscoop, schenkkannen, zalfpotten en diverse objecten: schenking Mevrouw T. Poppinga

In 1894 verbouwde dokter Terpstra het huis en voegde de apotheek toe en de keuken. Met zijn vrouw Jetske Abma kwam hij na het overlijden van Elisabeth Iest in 1892 in het huis wonen.

Hoofdgang met zicht op entrée

Hoofdgang met zicht op entrée. Foto Edward Roussou.

De gang werd voorzien van rijke decoraties, een fraai gestuukt plafond met vergulde ornamenten, een Engelse mozaïek tegelvloer, typisch voor het vroeg-industriële tijdperk en een bijzondere rood gemarmerde lambrisering met gele geschilderde panelen. Op een plek bij de voordeur bevond zich een illusionistisch geschilderd marmeren zuiltje bekroond door een bloemvaas. Deskundigen dateerden op basis van stijlkenmerken de gang in de periode dat dokter Terpstra in het Doktershûs woonde.

Entrée; schilderingen in de gang

Entrée. Schilderingen in de gang.

Bij de familie Terpstra was het lastiger om nazaten te vinden. Na inschakeling van een genealogisch bureau kregen we vrij veel gegevens. De zoektocht kwam uit in Engeland en Zweden. Uiteindelijk ontvingen we vanuit Zweden de oudste foto van de tuin uit ca. 1897. Maar recent kwamen de ‘echte verhalen’ los. Op Open Monumentendag in 2016 ontmoetten we een kleinzoon van dokter Ype Terpstra en Jetske Abma. Hij bracht ons in contact met zijn broers.

De verhalen werden verteld door de drie kleinzoons van Tjitske Terpstra, de jongste dochter van dokter Ype Terpstra en zijn vrouw Jetske Abma. Tjitske Terpstra trouwde in 1929 met Jan Marten Sijtsema, ook arts. Alle drie Sijtsema’s, tussen de 80 en 87 jaar, genoten ervan om het huis te zien en hun verhaal te vertellen. Dokter Terpstra bleek erg van kunst te houden en van uiterlijk vertoon. Zijn vrouw kwam uit een rijke familie en dat kwam hem goed uit. Soms gaf hij zelfs te veel geld uit, met name toen hij vanaf 1901 in het Gooi woonde. Hij moest later schilderijen die hij gekocht had weer verkopen wegens geldgebrek. De foto’s die we kregen illustreerden hun verhaal, dat we op de website plaatsten. Daarbij was ook een foto van de dienstertjes, die voor het mooie Doktershûs moesten zorgen. Waarover spraken zij? We hadden het graag geweten.
De ‘mondelinge geschiedenis’ van de broers Sijtsema bevestigde ons vermoeden dat de rijk versierde gang was gerealiseerd in de tijd het echtpaar Terpstra-Abma er ging wonen. Op hun beurt kregen ze door het bezoek in Stiens ‘een beter beeld’ van hun grootouders.

Met de familie Hooghoudt kwamen we in contact via Bert Hooghoudt, commissaris van de firma Hooghoudt, de familiedistilleerderij in Groningen. We hadden ontdekt dat dokter Hendrik Hooghoudt, die met zijn vrouw Menna Hofstee vanaf 1901 het Doktershûs bewoonde, de broer was van Hero Jan Hooghoudt, de oprichter van deze firma. Onze mail werd vriendelijk beantwoord en Bert Hooghoudt kreeg familiegegevens van zijn vader Hero Jan Hooghoudt.

Dokter Hendrik Hooghoudt met kleindochter Minnie

Dokter Hendrik Hooghoudt met kleindochter Minnie, ca. voorjaar 1928. Links opgemetselde regenwaterput. Archief: Heleen Hoevers-Hooghoudt.

wandschildering serre

Menna Hooghoudt-Hofstee staanden serre met wandschildering. Archief H. Hoevers-Hooghoudt

Zo kwamen we in contact met Heleen Hoevers-Hooghoudt, de kleindochter van het echtpaar Hooghoudt/Hofstee. Na enige tijd kwamen er foto’s te voorschijn die aanvankelijk verloren leken. Deze gaven nieuwe informatie. Er waren foto’s van de tuin met mooi zicht op de bonenstaken in de moestuin. Er was een foto van een stralend gezin op een ander plekje buiten met een prachtig Art Nouveau kleed op tafel en een dito servies. Dit versterkte de gedachte dat de gestileerde plantrank in Art Nouveau stijl boven de gemarmerde lambrisering in de gang was aangebracht tijdens de periode Hooghoudt. Verder was er een foto van de serre die aan de achterzijde van het huis was aangebouwd, naar bleek uit kadastrale tekeningen, in de tijd van dokter Terpstra. Op andere foto’s stond Menna Hofstee in de serre met haar kleinkind, tegen een achtergrond van een schildering van een landschap of tuin, helaas maar zeer ten dele zichtbaar.
Een kritische vraag die we later kregen of we zeker wisten dat deze foto’s in Stiens genomen waren, konden we pareren door de mondelinge overlevering van Heleen Hooghoudt:

‘Buitengewoon interessant is uw vondst van de muurschilderingen. Mijn moeder wees speciaal op deze schildering die te zien is op de foto’s van mijn grootmoeder in de serre. Hebben meerdere huizen uit die tijd muurschilderingen gehad? Was dat de mode in die tijd of reisde er toevallig een schilder door Friesland die zoiets heeft geïntroduceerd. Ik hoop dat u ook daar, na onderzoek, enig licht op kunt werpen.’

Dergelijke betrokkenheid stimuleert om verder te gaan en we hopen dat dr. Richard Harmanni op Open Monumentendag 2017 meer kan vertellen over de decoraties in het Doktershûs.

Met de familie Bosma komen we dichterbij in de tijd. Ruim 80 jaar woonden er twee generaties Bosma. Abe Bosma, de broer van de laatste arts-bewoner, vertelde ons over de rood-marmeren schouwen in de eetkamer en de spreekkamer. De herinneringen haalde hij op samen met zijn zus Anna. In de woonkamer was een glimmend zwart marmeren schouw, gedecoreerd met o.a. pilasters op de hoeken. Op onze vraag naar de kleuren van de apotheek antwoordden beiden dat deze groen was.

Abe Bosma, tekening tuin Gerrit Vlaskamp bij het Doktershûs, 4 juli 2012.

Abe Bosma, tekening tuin Gerrit Vlaskamp bij het Doktershûs, deel voor de Kaukasische vleugelnoot, 4 juli 2012.

Abe Bosma, tekening tuin Gerrit Vlaskamp

Abe Bosma, tekening tuin Gerrit Vlaskamp bij het Doktershûs voormalige moestuin met aansluitend voormalige boomgaard, 4 juli 2012.

Ook kon hij ons helpen met het terugvinden van de padenstructuur in de tuin. Deze structuur was niet meer zichtbaar omdat de paden verdwenen waren door gebrek aan onderhoud van de tuin gedurende enkele decennia. Hij vertelde dat het pad rond de voormalige moestuin doorliep buiten de vruchtbomen om aan de oostzijde bij de sloot en maakte een schets. Zijn verhaal bleek te kloppen. De bolling van de voormalige moestuin markeerde de cirkelvormige contour. Alles kwam te voorschijn nadat we ons door alle Sneeuwbessen een weg gebaand hadden. Verder verraste hij ons met veel foto’s die de structuur van de tuin nog beter zichtbaar maakten en waarop in het vroege voorjaar van 1933 de oudste tot nu toe bekende afbeelding van Krokussen in het gras te zien waren.

Foto’s uit het archief van Wil Ollemans, echtgenote van Geert Bosma illustreerden de verhalen dat Geert Bosma’s grote liefde lag bij de natuur: de stinzenflora en de ideeën van Louis Leroy – natuur inschakelen natuur uitschakelen-. Hij deelde deze met verschillende vrienden. Bezoekers aan de tuin vertelden ons over de contacten van Bosma in het dorp: met Minne Dankert die narcissen kweekte en naar later bleek ook een grote interesse had in stinzenplanten. We hebben in de loop der jaren 16 verschillende narcissensoorten ontdekt.

Minne Dankert voor de Kaukasische vleugelnoot in de tuin bij het Doktershûs. Artikel W. leukers-ten Bosch, 'Stinzenplanten op hun hoogtepunt', krant onbekend, rubriek 'gezin en samenleving, 20 april 1996, p. 24.

Minne Dankert voor de Kaukasische vleugelnoot in de tuin bij het Doktershûs. Artikel W. leukers-ten Bosch, ‘Stinzenplanten op hun hoogtepunt’, krant onbekend, rubriek ‘gezin en samenleving, 20 april 1996, p. 24.

Overigens vertelt Minne Dankert in een krantenbericht uit 1996, dat we onlangs van diens broer ontvingen, dat hij Geert Bosma stimuleerde om de Kaukasische vleugelnoot, die na een storm in 1972 omviel, te laten liggen. Bosma’s echtgenote memoreerde dat zoon Johannes dit het eerste zag: ‘Kijk, kijk, de boom valt om!’

Bij de storm van november 1972 omgevallen Kaukasische vleugelnoot.

Bij de storm van november 1972 omgevallen Kaukasische vleugelnoot. Op de voorgrond Krokusjes en Sneeuwklokjes. Foto: voorjaar 1973. Archief Bosma-Ollemans.

Deze boom is daarna weer uitgegroeid en vormt een markant element in de tuin. Een andere vriend van dokter Bosma, de heer Tromp, vertelde zijn verhaal. De Helleborus die we aantroffen kwam ongetwijfeld oorspronkelijk uit zijn tuin.

Het perk voor de Vleugelnoot

Het perk voor de Vleugelnoot. Op de achtergrond de Kaukasische Vleugelnoot op verhoogd perk. Rechts Jeltje Bosma-Kooistra. Foto, voorjaar 1963. Archief: W. Bosma-Ollemans.

Vlak nadat we het huis kochten spraken we met Geert Bosma wiens gezondheid toen al zeer zwak was. Hij vertelde dat hij het jammer vond dat er geen Vogelmelk meer in de tuin was. Hij bedoelde de gewone Vogelmelk die net als de Knikkende vogelmelk een stinzenplant is. De interesse in de Gewone vogelmelk van de familie Bosma wordt ondersteund door het verhaal van Maaike Groenewoud. Maaike kwam op jonge leeftijd in de tweede helft van de jaren vijftig als hulp in dienst bij Johannes Bosma, de vader van Geert Bosma. Zij vertelde dat toen al in de tuin veel Sneeuwklokjes en Krokussen bloeiden en dat ze bosjes bloemen van de Gewone vogelmelk moest rondbrengen bij oude mensen.

Maaike Groenewoud vertelde dat ze veel geleerd heeft van Johannes Bosma. Johannes Bosma  kende haar van jongs af aan want hij begeleidde haar moeder bij de bevalling van Maaike op 29 augustus 1940. Naar haar zeggen was het de nacht waarin de brandbom viel op het Doktershûs. De feiten bleken echter anders. De bom viel na middernacht in de nacht van 31 augustus / 1 september, aldus Abe en Anna Bosma, zijn kinderen. Het Doktershûs en de mensen die er woonden bleven gespaard.

Het ‘litteken’ dat de bom achterliet in het plafond in de gang van het Doktershûs Stiens.

litteken dat de bom

Het litteken dat de bom achterliet in de vloer van het Doktershûs in Stiens.

Gevelsteen ter herinnering aan de verwosting van het pand Smelbrêge 7 in Stiens door een bom in 1940 (31 augustus/1 september net na middernacht)

Gevelsteen ter herinnering aan de verwosting van het pand Smelbrêge 7 in Stiens door een bom in 1940 (31 augustus/1 september net na middernacht)

Wel liet de bom enkele littekens achter in het plafond en vloer van de monumentale gang. Het ‘bomtafeltje’ waarin een gat gebrand werd is nog in de familie. Het naastgelegen pand (nr. 7) brandde deels af. Een gedenksteen in de gevel van nr. 7 herinnert nog altijd aan die gebeurtenis. Maaike vertelde ook over het interieur. Dokter Bosma wees haar erop dat ze voorzichtig moest zijn met de wanden van de gang. Onder de wit gemarmerde stuclaag, waarschijnlijk in zijn tijd aangebracht, was nog iets moois. ‘De rode kleur schemerde op enkele beschadigde plekken door de witte gemarmerde laag’. Haar verbazing over de in volle glorie herstelde gang laat zich raden.

Ook hielp Maaike wel in de apotheek. Het doorgeefluikje in de buitengevel was van ‘na haar tijd’. In de tijd van Johannes Bosma hing er een bordje: ’16.00 u. pillen lopen’. Na vier uur in de middag werden de pillen rondgebracht door Maaike bij diegenen die ze niet konden ophalen. Ook was er iemand die als bijverdienste in de buitengebieden op de fiets de medicijnen rondbracht op verzoek. Zijn ‘loon’ werd door de patiënten zelf betaald.

Apotheek; stopflessen, microscoop, schenkkannen, zalfpotten en diverse objecten

Apotheek.Gifkastje rechts boven. Balans (vermoedelijk nog van dokter Hooghoudt), 3 Opstandflessen (19e eeuw), schenkkan en zalfpotten: schenking Mevrouw W. Bosma-Ollemans (Dronrijp). Foto Edward Roussou.

De overgang naar nieuwe ontwikkelingen in het medische beroep kwamen tot leven in de verhalen over de kleine dorpsapotheek. Wil Ollemans, die indertijd in de apotheek werkte van haar man Geert Bosma, vertelt hoe er steeds meer medicijnen kwamen en de 19e-eeuwse flessen plaats moesten maken voor talloze andere nieuwe verpakkingen, hoe ze tafeltjes en kastjes erbij moest zetten om alles kwijt te kunnen. Het verhaal dat ze eens de sleutel van het ‘gifkastje’ in het deurtje had laten zitten en door de inspectie berispt werd, vertellen wij nog bij iedere rondleiding. Het spreekt tot de verbeelding, vooral omdat het slotje en het glas er niet erg inbraakveilig uitzien. Op haar vraag naar het ‘fonteintje’ in de apotheek moesten we bekennen dat we het hadden weggehaald. Een verkeerde beslissing want in een apotheek hoort altijd water aanwezig te zijn. Haar schenking van de milligrambalans, naar haar zeggen hoogstwaarschijnlijk nog die van dokter Hooghoudt, waarderen we enorm. Hij moest geplaatst worden op de plek waar hij altijd stond in haar herinnering.

Al deze verhalen hebben bijgedragen aan het reconstrueren van de geschiedenis van het Doktershûs en de tún en de restauratie van beide. Samen met kennis op basis van onderzoek vallen de stukjes van puzzel van de geschiedenis van het pand in elkaar. Soms voegen bezoekers daar nog hun belevenissen aan toe, hoe ze de dokter moesten volgen naar de spreekkamer in de hoge gang. Of ze brengen iets mee dat ‘in het huis hoort’: een medicijndoosje, ‘nog van moeder geweest’. Maar bovenal brengen deze verhalen een huis tot leven, een huis dat mensen bouwden, mooi maakten en waarvoor ze zorgden, een huis waar ze lief en leef deelden.

Zoals Heleen Hoevers-Hooghoudt zei: ‘Dat dit huis zoveel geschiedenis in zich bergt is eigenlijk heel ontroerend.’