Overslaan en naar de inhoud gaan

Stinzenflorajournaal 2026 jrg. 6 nr. 1: 'Voor tuinvrienden en bloemenliefhebbers, ….’: Stinzenplanten als erfgoed

Klik op de afbeeldingen om deze te vergroten. 
Willem van Riemsdijk (tekst en vertaling uit het Duits)
Trudy van Riemsdijk-Zandee (red. en fotografie, tenzij anders vermeld)

‘Voor tuinvrienden en bloemenliefhebbers’. Dit is de ondertitel van Het ‘Handboek’ door de gerespecteerde Duitse kweker Johann Carl Corthum (1740-1815). Bij Stichting Stinze-Stiens staat het stinzenfloraseizoen 2026 in het teken van ‘Stinzenplanten als erfgoed’. De bijzonderheid en schoonheid van de vroegste bloeiers in het jaar worden al eeuwen bezongen in monumentale kruidenboeken uit de 15e, 16e eeuw, en in de fraaie bloemboeken en flora’s uit de zeventiende en latere eeuwen. Daarnaast staan ook de historische tuinplantenboeken in de historische bibliotheek, waaronder die van Corthum. Aan het begin van de 19e eeuw legde hij zijn 50-jarige ervaring vast in een aantal boekjes. Daarmee gaf hij ook door wat hij van zijn vader leerde, een predikant, die ook zijn eigen tuinderij had en vee hield. Corthum verrijkte dit met zijn eigen ervaring en kennis. In zijn voorwoord zegt hij expliciet dat hij hoopt dat zijn ervaringen voor vele beginners bij het planten van nut zullen zijn. Zijn boekjes zijn niet bedoeld voor ervaren tuinlieden, evenmin voor geleerde botanici voor wie al vele botanische werken beschikbaar zijn, zo zegt hij. Stichting Stinze-Stiens deelt ook graag de ervaringen met anderen. Reden waarom we in 2015 voor het eerst de Stinzenflora-monitor opzetten. Stinzenfloraliefhebbers gluren immers graag bij hun stinzenfloraburen, niet alleen om te genieten maar ook van elkaar te leren. Stinze-Stiens vulde deze kennis aan in diverse blogs en later in de Stinzenflorajournaals. Maar de lessen uit het verleden zijn de eerste bron waaruit we kunnen putten.

Kweker Johann Carl Corthum

Welke planten toen in de mode waren kunnen we te weten komen door het bestuderen van catalogi van kwekers en andere tuinboeken uit die tijd. Een interessante bron wat dat betreft is het werk Johann Carl Corthum (1740-1815) en zijn dochter Luise (1773-1840) dat uitvoerig beschreven staat in het ‘Handboek’ en de plantenlijst die ze publiceerden aan het begin van de negentiende eeuw.*1 Corthum was een zeer gerespecteerde kweker in Zerbst, Saksen. Hij vestigde zich daar in 1762 op 21-jarige leeftijd. Hij had internationale contacten en was ook de ‘Beirat’ voor de tuin van de vorst Franz (1740-1817), die de parkaanleg in Dessau-Wörlitz initieerde. De titel van zijn Handbuch is in vertaling als volgt: 

Handboek voor tuinvrienden en bloemenliefhebbers, of een uitvoerige beschrijving van alle bloemen en struiken die ik in mijn tuinen heb gekweekt, inheemse en exotische bloemen en struiken, zowel eenjarigen als vaste planten en potplanten op basis van 50 jarige ervaring.*2 

Omslag kwekerscatalogus: Luise Corthum, Verzeichnis und kurze Beschreibung der im Freien ausdauernden Stauden-, Zwiebel- und Knollgewächse, die bei dem Kaufmann Johann Karl Corthum in Zerbst am beigefesste Preise zu bekommen sind, nebst kurzer Anweisung in welchem Boden und Lage aufgeführte Pflanzen am besten wachsen, Zerbst (bei Andreas Füchsel)1802.

In 1814 verscheen het eerste deeltje. Hierin worden algemene zaken beschreven die van belang zijn bij het kweken van planten zoals de verschillende mestsoorten en hun werking, verschillende plaagdieren etc. Zerbst ligt tussen Berlijn en Leipzig op arme zandige grond. In het jaar van zijn overlijden, in 1815, verschenen de deeltjes 2 en 3, en in 1816 de deeltjes 4 en 5. De laatste 2 zijn alleen door Luise verzorgd. Deze 5 deeltjes zijn gebonden in drie boekjes met planten die alfabetisch gerangschikt zijn. Zijn dochter Luise Corthum zette na het overlijden van haar vader het bedrijf voort. Niet alleen Luise maar ook de jongste dochter, Sophie, kon goed tekenen. Maar Sophie had er meer tijd voor het natuurgetrouw tekenen van bloemen. De tekeningen ontbreken helaas in de hier genoemde publicaties. Beide dochters ondersteunden hun vader in de uitoefening van zijn werk. Luise publiceerde al veel eerder dan de boekjes van haar vader, de plantencatalogus in 1802. Vertaald is de titel: Overzicht en korte beschrijving van winterharde vaste planten, bol- en knol-gewassen die bij de koopman Johann Carl Corthum in Zerbst te koop zijn tegen de vermelde prijzen, plus korte aanwijzingen in welke grond en ligging de beschreven planten het beste groeien.*3 De kosten van planten worden aangegeven in Gr., deze eenheid staat voor de Groschen. Volgens een recente studie zou Luise al in 1800 een eerste catalogus van bomen en struiken hebben uitgegeven met illustraties van haar hand en twee jaar later een tweede herziene uitgave. Dit was mogelijk omdat toen de eerste drukkerij in Zerbst gevestigd werd. In 1806 verscheen de eerste lokale krant, het jaar dat Napoleon de stad binnenviel.

Tuincultuur, lessen uit het verleden

Deze boekjes geven een goed inzicht in sommige aspecten van de tuincultuur vanuit het oogpunt van een plantenkweker in de tweede helft van de 18e eeuw in Duitsland.Er is een gedigitaliseerde versie van het werk van Johann Carl te vinden op het internet: Books.Google en algemene gegevens via wikipedia

Het feit dat het in de Duitse taal is gedrukt in Gothisch letterschrift maakt het minder makkelijk toegankelijk. Het is niet alleen interessant om dit soort informatie te lezen, maar het is ook leerzaam, zeker als we geen gif en geen kunstmest willen gebruiken. 

Men gebruikte mest van verschillende dieren, boombast, zaagsel, roet uit de kachel etc. Over de werking van paardenmest staat: ‘Er zijn verschillende soorten mest die heel verschillend zijn in hun bemestende werking. Paardenmest staat bekend als een van de beste meststoffen. De werking hangt echter af van het voer dat het paard krijgt, is dat graan, of alleen hooi […] Ook is van belang of er veel stro wordt gestrooid in de stal en of de urine goed opgenomen wordt in het stro. Dit geeft sterke mest. Op de mesthoop verteert deze mest goed en is bruin van kleur; als de mest te droog is, verbrandt de mest, is wit en heeft de meeste bemestende werking verloren.’ 

Tabel bloeitijd stinzenplanten. © Willem van Riemsdijk/Trudy van Riemsdijk—Zandee, Stinzenflora-monitor 2015-2020. De huidige monitor hanteert een beperkt aantal van 18 stinzenplanten conform de florist D.T.E. van der Ploeg in zijn boek Stinzenplanten yn Fryslan, Leeuwarden 1972.

Het begrip stinzenplanten gaat verder dan een lijstje met soorten en de vraag of een bepaalde plant nu wel of niet een stinzenplant is. Bij het begrip dat nu al ruim honderd jaar in zwang is, hoort het besef dat het gaat over een historische vegetatie op een historische locatie. De planten staan vaak al een paar eeuwen op dezelfde locatie. De planten zijn ooit op deze terreinen ingebracht en hebben de kans gekregen om te verwilderen en zich uit te breiden. In deze periode kan er meer of minder natuurlijke selectie hebben plaats gevonden. Het zijn ook planten die niet in de directe omgeving van de historische locatie in het wild voorkomen. Relevant is dus om te weten welke soorten vroeger in tuinen werden aangeplant. 

Variëteiten

Op basis van de wilde planten hebben kwekers nieuwe variëteiten gekweekt die bijvoorbeeld grotere bloemen hebben of een andere kleur bloemen dan de oorspronkelijke wilde planten. Bekend is de rage in de 17e eeuw wat betreft het kweken van allerlei soorten tulpen waar enorme sommen geld voor werden betaald. Deze tulpen kunnen zich niet handhaven bij verwildering en zijn dus ook geen stinzenplant. De Bostulp is een in delen van Europa in het wild groeiende plant die zich wel kan handhaven en vermeerderen onder de juiste condities. Stinzenplanten die horen tot de bolgewassen vermeerderen zich via het vormen van nevenbolletjes en/of door middel van zaad. Vanuit een bolletje kunnen pollen ontstaan die na een aantal jaren een enorm dichte kluit met bolletjes gaan vormen. Op een bepaald moment staan de bollen dan zo dicht op elkaar dat ze geen kans meer krijgen om zich goed te ontwikkelen.

Om dit te voorkomen en om de planten meer te verspreiden kunnen deze pollen worden opgegraven en uitgeplant. Dit bevordert de groei en bloei van de bollen. Dit is echter behoorlijk arbeidsintensief en zeker als er weinig onderhoud wordt gedaan zal het opgraven en uitplanten al gauw achterwege blijven. Het vermeerderen en verspreiden via zaadvorming wordt dan een belangrijker proces. In Celle in Duitsland zijn diverse historische parken waar zeer veel Bostulpen groeien. De ervaring daar is echter dat maar een klein deel van de Bostulpen in bloei komt in een jaar. Hoe dichter de planten bij elkaar groeien des te minder planten er gaan bloeien. 

In de loop van de 18e en eerste helft van de19e eeuw was de Engelse landschapsstijl in de mode. De Friese variant van deze stijl is de Slingertún. In deze parktuinen werd meer reliëf gecreëerd met slingerende paden en waterpartijen. In de grasvelden werden wat wij nu stinzenplanten noemen ingebracht ter verfraaiing van het geheel. 

Plantensoorten

Het is ook leerzaam om te zien welke plantensoorten men gebruikte in tuinen. Onze interesse gaat, als stinzenplanten liefhebbers, natuurlijk in eerste instantie uit naar de vroegbloeiende bol- en knolgewassen en planten met wortelstokken. Het kweken van planten en selecteren van nieuwe variëteiten gebeurt al eeuwen lang. Opvallend is echter dat de historische stinzenplanten veelal weinig verschillen van in het wild groeiende planten van dezelfde soort. De meeste stinzenplanten zijn bij ons niet inheems, maar ooit aangeplant en daarna verwilderd. Semi-natuurlijke verwildering leidt vaak ook tot een selectieproces. De soorten die op langere termijn overleven zijn de planten die van nature in het wild voorkomen.

De Winterakoniet

De Winterakoniet, Eranthis hyemalis, werd in de tijd van Corthum Helleborus hyemalis. genoemd. Hyemalis betekent winter. Het is een van de eerste bloeiers die het voorjaar aankondigen. Ze groeien overal volgens Corthum en zijn inheems in Italië, Zwitserland en de Apennijnen. De plant komt al in de winter tevoorschijn als het weer wat beter wordt. De bloem gaat ‘s avonds dicht en gaat open als de zon schijnt, net als de krokus. Corthum beveelt deze plant aan voor de tuin omdat het een van de vroegste bloeiers in de tuin is. Hij prijst de combinatie aan met het Dubbele sneeuwklokje, Galanthus nivalis flore pleno, die in dezelfde tijd bloeit.

Het Sneeuwklokje 

Corthum prefereert het Dubbele sneeuwklokje boven het Gewone sneeuwklokje. Het Sneeuwklokje is inheems in delen van Midden-Europa. Het bloeit zeer vroeg net als de Winterakoniet en kan de grasvelden in de tuin verfraaien. Het Dubbele sneeuwklokje vormt geen zaad maar kan zich sterk vermeerderen via de productie van nevenbolletjes. Ze kunnen door vermeerdering ook vrij snel pollen vormen. Ze kunnen vrij lang op een plek blijven zonder dat ze achteruit gaan. Verplanten kan het best gebeuren vroeg in de zomer omdat ze al vroeg in de herfst weer actief worden in de grond. Opvallend is dat op oude terreinen vooral het Gewone sneeuwklokje in groten getale kan voorkomen. Ook hier blijkt dat verwildering natuurlijke selectie tot gevolg heeft.

De Bonte krokus

Volgens Corthum groeit de Bonte krokus in het wild in de Zwitserse alpen, de Pyreneeën en de Zuid-Europese alpen. Corthum heeft 20 variëteiten te koop van de Bonte krokus, Crocus vernus, wat letterlijk Voorjaarskrokus betekent. Ze verschillen in kleur, grootte, de tekening van de bladeren en de bloeitijd. Net als bij de tulp overleven de meeste variëteiten langdurige verwildering niet. Er zit wel wat verschil tussen de Krokussen die nu op historische terreinen groeien maar veel minder verschil dan wat er ooit gekweekt is. Natuurlijke selectie leidt in dit geval meestal tot een groot aandeel van paars bloeiende planten en een kleiner aandeel meer of minder witte variëteiten. Bij buitenplaatsen kunnen prachtige vegetaties van de Bonte krokus voorkomen. Het advies van Corthum is de bollen na drie jaar te verplanten omdat ze veel nevenbolletjes maken en dan weer in ‘verse’ grond komen. Ze kunnen dan ook bemest worden. Uit zaad duurt het 3 -4 jaar voordat de nieuwe planten gaan bloeien. 

Holwortel

Iets soortgelijks zien we bij de Corydalis cava, Holwortel, die ook in wit en paars voor kan komen op oude terreinen. Het percentage witte individuen kan wel verschillen van weinig tot ca. 50 %. De variëteiten die tegenwoordig te koop aangeboden worden zijn heel anders van kleur dan de historische soorten.

Het Lenteklokje

Het Lenteklokje, Leucojum vernum, is inheems in Duitsland in sommige vrij natte bossen of in alpenweiden. Ze bloeien vroeg rond de bloeitijd van de Bonte krokus. Om te bloeien en te vermeerderen hebben ze een vochtige bodem nodig. Ze kunnen zich sterk vermeerderen door vorming van nevenbollen. Uit zaad duurt het 4 jaar voordat de jonge plant kan gaan bloeien.

Bosgeelster

Bosgeelster, Gagea lutea, vroeger Ornithogalum luteum geheten, is een in Nederland zeldzaam inheems bolgewas. In Duitsland is ze minder zeldzaam. De bolletjes zijn rond en zo groot als een erwt. De bladeren zijn ca. 30 cm lang, donkergroen en zeer smal. De voet van het blad is rood gekleurd. De kleine bloemen zijn geel, en bloeien in maart en volgens Corthum kunnen ze zich flink vermeerderen. 

Knikkende en Gewone vogelmelk

Knikkende vogelmelk, Ornithogalum nutans, is inheems in de omgeving van Napels in Italie, in Zwitserland en Duitsland. De plant vermeerdert zich via zaad en sterk via nevenbollen. Volgens Corthum vermeerderen ze zich zo sterk dat, als je ze in de tuin inbrengt, het al snel een lastig onkruid wordt. Wij hebben die ervaring niet. Hoe planten zich ‘gedragen’ hangt niet alleen af van de eigenschappen van een soort, maar ook van waar de planten groeien, het klimaat en hoe het terrein wordt beheerd!

Ook de Gewone vogelmelk, Ornithogalum umbellatum, vermeerdert zich volgens Corthum zo sterk dat hij afraadt deze plant in te brengen omdat je er weer moeilijk van af komt.

Knolsteenbreek en Haarlems klokkenspel

Knolsteenbreek, Saxifraga granulata, groeit in sommige weilanden in het wild. Voor de tuin vindt Corthum de dubbelbloemige variëteit, het Haarlems klokkenspel, meer geschikt. Deze planten vormen veel kleine knolletjes die heel oppervlakkig in de grond liggen. Ze kunnen zich op deze manier sterk vermeerderen vooral als ze op een geschikte locatie uitgeplant worden. Ze prefereren een goede vochtige grond in de halfschaduw die in zomer niet uitdroogt. Gezien het feit dat het Haarlems klokkenspel voorkomt in de plantencatalogus van Louise Corthum uit 1802 blijkt dat deze plant in die tijd werd aangeplant in tuinen. In Nederland is de plant sinds enige tijd ook weer te koop.

De Keizerskroon

De Keizerskroon, Fritillaria imperialis, stond in hoog aanzien. Corthum noemt het een van de mooiste planten voor in de tuin. Deze planten groeien in het wild in bergweiden van Perzië (Iran). De kweker had 13 verschillende soorten Keizerskroon te koop. De planten verschillen in kleur, grootte, wel of niet gevulde bloemen, en de bladeren. De bollen van deze planten waren kostbaar. Veel planten die gekweekt worden kosten 1 tot een paar Gr. De goedkoopste Keizerskronen kosten echter 6 Gr. per stuk en de duurste 16 Gr. De planten komen uit Holland en zijn uit zaad opgekweekt. In Nederland groeien Keizerskronen al lang in Park Jongemastate in Raerd waar ze zich kunnen handhaven, maar ze breiden zich er niet uit. Op Harsta State staan ook verschillende Keizerskronen maar die zijn waarschijnlijk daar vrij recent aangeplant

De Slanke sleutelbloem

De Slanke sleutelbloem, Primula elatior, is een plant die in het wild in sommige kalkrijke bossen voorkomt in Haagbeuken en Eikenbossen. De plant is zeldzaam in Nederland en staat op de rode lijst. De Gulden sleutelbloem, Primula veris, is een plant die graag wat meer zon heeft en in weilanden voor kan komen. Corthum had Sleutelbloemen in vele verschillende kleuren in de catalogus. In het wild zie je de planten alleen met prachtig licht-gele bloemen. Ze prefereren een vochtige redelijk vruchtbare grond. Bij ons ontbreekt de Sleutelbloem in de bekende stinzenplantenlijstjes. Op een oude begraafplaats in de buurt van Hannover is de Slanke sleutelbloem echter verwilderd waar hij een mooie combinatie vormt met Oosterse sterhyacint (Scilla siberica). De plant heeft ook een wortelstok. In Duitsland zou het gezien alle eigenschappen tot de stinzenplanten kunnen worden gerekend.

Helaas worden veel soorten stinzenplanten niet meer te koop aangeboden in de vorm zoals ze groeien op historische locaties. Op basis van historische locaties kunnen de oude soorten echter in principe altijd weer opgekweekt worden. Voorkomen moet worden dat ‘moderne’ variëteiten aangeplant worden op historische locaties. 

Voetnoten

  • 1 De biografische gegevens in dit artikel zijn gebaseerd op het voorwoord in het Handboek van Corthum, op https://de.wikipedia.org/wiki/Johann_Carl_Corthum en op Ursula Böttge, ‘Zerbster Handelsgärtnerin undAutorin naturwissenschaftlicher Bücher. Louise Corthum (1773-1840, Teil 1) in: Ambtsbote, Zerbst/Anhalt, Jahrgang 16, nr. 10, 14 Mai 2021, p. 22 en Jahrgang 16, nr. 11, 28 Mai 2021.
  • Johann Carl Corthum, Handbuch für Gartenfreunde und Blumenliebhaber oder ausführliche Beschreibung und Cultur sämmtlicher in meinen Gärten gezogenen in- und ausländischen Bäume und Sträche, auch jährigen und perennirenden Pflanzen und Topfgewächse aus 50jähriger Erfahrung gesammelt, Zerbst (bei Johann Wilhelm Kramer), Erstes und zweites Bändchen, 1814, Drittes und Vierts Bändchen 1815, Fünftes Bändchen  1816. Volgens Ursula Böttge (zie noot 3) werkte Johann Carl samen met zijn dochter Luise en schreef Luise de laatste 2 deeltjes.
  • 3 Luise Corthum, Verzeichnis und kurze Beschreibung der im Freien ausdauernden Stauden-, Zwiebel- und Knollgewächse, die bei dem Kaufmann Johann Karl Corthum in Zerbst am beigefesste Preise zu bekommen sind, nebst kurzer Anweisung in welchem Boden und Lage aufgeführte Pflanzen am besten wachsen, Zerbst (bei Andreas Füchsel)1802